Blog: Onder de motorkap van de vragenlijst: hoe diep wil je kijken?

In samenwerking met Qualizorg verzorgt Mark Bench dit najaar een aantal columns en webinars. Qualizorg levert software-oplossingen voor het leren van uitkomsten in de somatische- en geestelijke gezondheidszorg. Doel van de samenwerking is hulpverleners te ondersteunen bij het gebruik van Routine Outcome Monitoring in de behandelkamer – met als einddoel effectiever, sneller én prettiger behandelen. Dit is de tweede column, geschreven door Suzan Oudejans.

 

Onder de motorkap van de vragenlijst: hoe diep wil je kijken?

 

Hoe weet je of je behandeling voor psychische klachten zijn vruchten heeft afgeworpen? Dit is helaas niet altijd eenduidig te zeggen. Behandelsucces kan vastgesteld worden met één maat, één getal, maar er zijn ook instrumenten die veel gedetailleerder meten. Hoe ver moet je gaan? Hoeveel detail heb je nodig?

 

In de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) worden vragenlijsten gebruikt om het resultaat van een behandeling objectief en gestructureerd vast te stellen. Cliënten vullen deze vooraf en na afloop van de behandeling in. Is de eindscore lager dan de beginscore? Dan is er verbetering opgetreden. Die systematiek, Routine Outcome Monitoring (ROM), ondersteunt beslissingen in het behandeltraject en zorgt voor meer succesvolle behandelingen.

Vragenlijsten die het niveau van psychische klachten meten verschillen enorm in hoe gedetailleerd ze dit doen. Er zijn vragenlijsten die één score voor het klachtenniveau in zijn algemeenheid vaststellen, zoals de schaal van de Client Directed Outcome Informed (CDOI) systematiek. En er zijn vragenlijsten die over maar liefst negen deelgebieden terugrapporteren. De Brief Symptom Inventory (BSI) is daar een voorbeeld van.

 

Waarom dieper inzoomen?
Kort en bondig meten en terugkoppelen klinkt efficiënt, overzichtelijk en begrijpelijk. Maar zie je daarmee geen potentiële verbeteringen op verschillende levensgebieden over het hoofd? Doe je daarmee recht aan de behandeling en de cliënt?

Een (meestal langere) vragenlijst die aparte scores voor bijvoorbeeld depressieve- en angstklachten, dagelijks functioneren of het bestaan van paranoïde ideeën oplevert, kan een meerwaarde hebben. En die meerwaarde is dan dusdanig dat de tijd die het de cliënt kost om de vragenlijst in te vullen en om de resultaten terug te koppelen heel goed besteed is.

 

Wanneer kies ik voor een dieper detailniveau?
Er is geen gouden standaard voor welk detailniveau goed, zinnig en bruikbaar is. Mijn advies? Kies voor diagnosespecifiek monitoren als je de vooruitgang met betrekking tot de diagnose zelf wilt monitoren (bijvoorbeeld een depressie). Wil je een overall beeld hebben, omdat er meer – of iets anders – is aangepakt dan alleen de diagnose? Selecteer dan een generiek instrument, en kijk daarbij ook naar de scores ook de subschalen.

Je wilt natuurlijk graag dat je voor jezelf en je cliënt optimaal profiteert van de eigenschappen van het instrument dat je kiest. Ik heb twee tips voor je die je helpen bij het maken van je keuzes.

 

Tip 1: Diagnose-specifiek monitoren: neem een diagnose-specifiek instrument of kijk naar de subschaal van een generiek instrument.
Als je één aandoening wilt monitoren, dan heeft een specifiek daarvoor ontwikkeld instrument waarschijnlijk de voorkeur. Een recent onderzoek toont namelijk aan dat veranderingen bij een depressie preciezer gemeten worden met een diagnose-specifiek instrument (zoals bijvoorbeeld de Beck Depression Inventory voor depressie) dan met een generiek instrument (zoals de BSI, de Outcome Questionnaire-45 en de Symptom Checklist – SCL-90).

De depressie subschalen van generieke instrumenten komen overigens wel op een goede tweede plaats (en de totaalscore van een generiek instrument op de laatste plaats).

Voor het monitoren van veranderingen van angstklachten zijn de bevindingen minder duidelijk: daarvoor lijken de verschillen in gevoeligheid voor verandering tussen generieke instrumenten en specifieke instrumenten minder groot.


Tip 2: Betrek de subschalen van een vragenlijst bij het bespreken van de resultaten met de cliënt
De totaalscore op een vragenlijst geeft een totaalbeeld. In één oogopslag is te zien of er sprake is van ernstige of minder ernstige klachten. Juist, door in te zoomen op de scores op de subschalen kun je de cliënt heel goed helpen bij het begrijpen van zijn eigen klachten, de samenhang met de diagnose en met wat hij van de behandeling kan verwachten.

Een cliënt met een angststoornis kan bijvoorbeeld heel goed ook depressieve klachten hebben. Als je maar lang genoeg bang bent, dan wordt je wel depressief. Door te benadrukken dat als de angstklachten verminderen er ook kans is dat de depressieve klachten minder worden, kun je een cliënt mogelijk (nog meer) motiveren om de opdrachten van de behandeling uit te voeren.

Zo zijn er nog talloze voorbeelden. Een cliënt die werkt aan minder sociale vermijding zou gedurende de behandeling wel eens meer conflicten kunnen gaan ervaren. Een ‘verslechtering’ van een score op een schaal die dat meet betekent dan feitelijk een succes(je).

 

Deze column is onderdeel van een reeks, die wij maakten in samenwerking met Qualizorg. Lees ook de eerdere aflevering ‘Een goede introductie is het halve werk’.

 

Meer lezen over ROM en vragenlijsten? Lees ons boek ‘Snel succes met ROM’.

 

 

 

Scroll to top